DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige publicaties  

IEF 23580

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

Rechtbank Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/podcast-over-restitutie-roofkunst-niet-onrechtmatig-jegens-mondex-en-haar-oprichter

Rb. Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC). De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat NRC met de achtdelige podcastserie Hier hing een schilderij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Mondex en haar oprichter [eiser 2]. De podcast reconstrueert de restitutie van het schilderij Bild mit Häusern aan de erfgenamen van de voormalige eigenaar. Mondex en [eiser 2] stelden dat NRC een onjuist, tendentieus en grievend narratief had gecreëerd, waarin zij zouden worden neergezet als partijen die profiteren van restitutie van roofkunst, onder meer door verwijzingen naar termen als “ambulance chaser”, “premiejager”, “holocaustindustrie” en “Shoah business”. De rechtbank stelt voorop dat het recht van NRC op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid op grond van artikel 10 EVRM moet worden afgewogen tegen het belang van Mondex en [eiser 2] bij bescherming van hun eer en goede naam, waarbij artikel 6:162 BW het wettelijke aanknopingspunt vormt voor een eventuele beperking van die uitingsvrijheid. Daarbij weegt zwaar dat restitutie van roofkunst, het functioneren van het restitutiebeleid en de commerciële bijstand aan rechthebbenden of erfgenamen onderwerpen van publiek belang zijn. NRC kwam daarom ruime journalistieke en redactionele vrijheid toe om daarover kritisch, informerend en opiniërend te publiceren. Het beroep van [eiser 2] op artikel 8 EVRM slaagt niet, omdat de gewraakte uitlatingen zien op zijn professionele hoedanigheid bij Mondex en onvoldoende is onderbouwd dat zijn privéleven daardoor zodanig is geraakt dat artikel 8 EVRM bescherming biedt.

IEF 23559

OM-persbericht niet onrechtmatig: geen verwijdering of rectificatie toegewezen

Rechtbank Den Haag 1 mei 2026, IEF 23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 (([eiseres] tegen de Staat)), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/om-persbericht-niet-onrechtmatig-geen-verwijdering-of-rectificatie-toegewezen

Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 ([eiseres] tegen de Staat). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of een persbericht van het OM over een sepotbeslissing jegens politieagenten onrechtmatig is tegenover de ouders van een overleden man. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot verwijdering en rectificatie af. De zaak vindt haar oorsprong in een incident in augustus 2020, waarbij de zoon van [eisers] in Amsterdam na een confrontatie met de politie om het leven is gekomen. Hij verkeerde in verwarde toestand en had een mes bij zich. Na een achtervolging werd hij ingesloten en werd geprobeerd hem onder controle te krijgen met onder meer pepperspray en een politiehond. Toen dat niet lukte, hebben twee agenten geschoten. De zoon is ter plaatse overleden. Na onderzoek door de Rijksrecherche besloot het OM de betrokken agenten niet te vervolgen, omdat sprake zou zijn geweest van noodweer. In een persbericht van 17 mei 2021 heeft het OM deze beslissing toegelicht. Daarin is onder meer vermeld dat een agent met een mes op zijn vest werd geraakt. [eisers] stellen dat dit persbericht een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken geeft. Volgens hen is niet vastgesteld dat daadwerkelijk in het vest is gestoken; uit later forensisch onderzoek zou blijken dat geen steeksporen zijn aangetroffen. Ook menen zij dat het OM ten onrechte niet heeft vermeld dat nog een klachtprocedure ex artikel 12 Sv loopt tegen de sepotbeslissing. De publicatie zou daarom onrechtmatig zijn en hun eer en goede naam aantasten, ook zou het de nagedachtenis van hun zoon schaden. Zij vorderen verwijdering van het persbericht en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling een belangenafweging moet plaatsvinden tussen enerzijds het belang van [eisers] om niet te worden geconfronteerd met onjuiste of schadelijke publicaties, en anderzijds het belang van het OM om het publiek te informeren over beslissingen van algemeen belang, zoals een sepot in een zaak met dodelijke afloop.

IEF 23558

Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 23 apr 2026, IEF 23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/rb-den-haag-publicatie-beeldmateriaal-kind-en-informatie-uit-jeugdbeschermingsdossier-onrechtmatig

Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.

IEF 23548

Rb. Midden-Nederland wijst verzoek tot inzage in scenario RTL-serie af wegens risico op preventieve censuur

Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-verzoek-tot-inzage-in-scenario-rtl-serie-af-wegens-risico-op-preventieve-censuur

Rb. Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland). De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 mei 2026 een verzoek afgewezen van een man die vooraf inzage wilde krijgen in het scenario van een nog niet gepubliceerde dramaserie van RTL en Videoland over het Nederlandse koningshuis. In de serie komt een verhaallijn voor over prinses [A], de voormalige echtgenote van verzoeker. Verzoeker stelde dat hij vreesde voor ongewenste en onjuiste berichtgeving over hem en wilde kunnen beoordelen of de wijze waarop hij in de serie wordt genoemd, verbeeld of herkenbaar in beeld komt, een onrechtmatige publicatie zou opleveren. Op grond van art. 196 en 197 Rv verzocht hij daarom om een voorlopige bewijsverrichting in de vorm van inzage in de relevante delen van het scenario. RTL en Videoland voerden aan dat zij de vrijheid hebben om een dramaserie te maken zonder de inhoud daarvan vooraf aan betrokkenen te hoeven voorleggen. De rechtbank stelt voorop dat verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel worden toegewezen, tenzij zich een van de wettelijke uitzonderingsgronden voordoet, waaronder het bestaan van “gewichtige redenen” die zich tegen toewijzing verzetten.

IEF 23522

Geen uitzendverbod voor tv-programma, wel beperking herkenbaarheid [eiser]

Rechtbank Amsterdam 29 okt 2025, IEF 23522; ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/geen-uitzendverbod-voor-tv-programma-wel-beperking-herkenbaarheid-eiser

Rb. Amsterdam 29 oktober 2025; IEF 23522; IT 5254 ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding vordert een betrokkene een verbod op de uitzending van een aflevering van een televisieprogramma waarin hij wordt geconfronteerd met beschuldigingen van financiële misstanden en benadeling van derden. Volgens [eiser] is de voorgenomen uitzending onrechtmatig, omdat deze zou zijn gebaseerd op onjuiste informatie en omdat hem onvoldoende gelegenheid tot wederhoor zou zijn geboden.

IEF 23515

Verbod op negatieve reviews: herhaaldelijk plaatsen onder verschillende namen onrechtmatig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 apr 2026, IEF 23515; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/verbod-op-negatieve-reviews-herhaaldelijk-plaatsen-onder-verschillende-namen-onrechtmatig

Rb. Zeeland West-Brabant 17 april 2026, IEF 23515; IT 5247; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]). In dit kort geding staat centraal of het plaatsen van meerdere negatieve online recensies over een vakantiewoning onrechtmatig is. Gedaagden hadden na klachten over hun verblijf herhaaldelijk negatieve reviews geplaatst op verschillende platforms, deels onder verschillende namen.

IEF 23511

Ruime bescherming voor vrijheid van meningsuiting politici: ‘beetje Andrew Tate vibes’ toegestaan

Rechtbank Midden-Nederland 24 apr 2026, IEF 23511; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/ruime-bescherming-voor-vrijheid-van-meningsuiting-politici-beetje-andrew-tate-vibes-toegestaan

Rb. Midden-Nederland 24 april 2026, IEF 23511; IT 5243; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]). In dit kort geding staat de vraag centraal of uitlatingen van een politica tijdens een gemeenteraadsvergadering, en de daarna op social media, onrechtmatig zijn tegenover een verhuurder, [eisende partij]. De politica sprak onder meer over “Andrew Tate vibes” en kwalificeerde diens verhuurpraktijken als intimiderend. [eisende partij] verhuurde bijvoorbeeld enkel aan vrouwen.

IEF 23498

Uitspraak ingezonden door Charissa Koster, DayOne Legal

Rb. Amsterdam: vermelding naam, strafrechtelijke antecedenten en familiebanden in De Limburger niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 15 apr 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-vermelding-naam-strafrechtelijke-antecedenten-en-familiebanden-in-de-limburger-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in kort geding dat De Limburger niet onrechtmatig heeft gehandeld door in twee online artikelen uit 2022 en 2026 de eiser met naam en toenaam te noemen en daarbij te verwijzen naar zijn strafrechtelijke antecedenten, eerdere witwasverdenking, zijn in 2012 geliquideerde broer en, in het artikel uit 2022, zijn vroegere zakelijke banden met een vastgoedondernemer die volgens justitie betrokken zou zijn bij witwaspraktijken. Het eerste artikel ging over de integriteit van het openbaar bestuur, meer specifiek over een private investering van een topman van het Limburgs Energiefonds in een omstreden vakantiepark van de familie van eiser. Het tweede artikel ging over de verlening van een exploitatievergunning voor datzelfde vakantiepark ondanks een deels negatief Bibob-advies. Volgens de voorzieningenrechter raken beide publicaties daarmee aan kwesties van algemeen belang en had Mediahuis voldoende toegelicht waarom ook de rol en achtergrond van eiser in die context journalistiek relevant waren. Daarbij weegt mee dat eiser de juistheid van de in de artikelen genoemde feiten niet betwistte.

IEF 23465

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23465; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.

IEF 23440

Totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met art. 56 VWEU; afwijzing vordering tot rectificatie van OM-persbericht

Hof Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23440; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/totaalverbod-op-online-kansspelen-niet-in-strijd-met-art-56-vweu-afwijzing-vordering-tot-rectificatie-van-om-persbericht

Hof Den Haag 10 maart 2026, IEF 23440; IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.). In deze civiele hogerberoepszaak stonden appellanten, onder wie natuurlijke personen en vennootschappen die tussen 2007 en 2014 belangen hielden in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aanboden, tegenover de Staat en de Kansspelautoriteit. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat het in de relevante periode geldende Nederlandse totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd was met art. 56 VWEU, dat het daarop gebaseerde optreden van de Staat en de Kansspelautoriteit onrechtmatig was, schadevergoeding op te maken bij staat, een bevel om de gestelde Unierechtelijke inbreuk te staken en rectificatie van een OM-persbericht van 24 juni 2021. Het hof verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer van de Staat c.s. en oordeelt dat in elk geval de appellanten die geen verdachten zijn voldoende belang hebben bij hun schadevorderingen, terwijl daarnaast ook voldoende belang bestaat bij de rectificatievordering. Inhoudelijk stelt het hof voorop dat het totaalverbod op online kansspelen weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten, maar dat die beperking gerechtvaardigd kan zijn door dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en fraudebestrijding. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het hof dat lidstaten op het terrein van kansspelen, en in het bijzonder online kansspelen, over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Een algemeen verbod op online kansspelen kan daarom in beginsel een geschikte maatregel zijn, juist gelet op de specifieke risico’s van online aanbod, zoals anonimiteit, permanente toegankelijkheid en verhoogde risico’s op fraude en gokverslaving. Het hof verwerpt vervolgens ook het betoog dat het verbod wegens beperkte effectiviteit, beperkte uitzonderingen binnen het gereguleerde aanbod of het latere vergunningstelsel van de Wet kansspelen op afstand zijn samenhang of geschiktheid had verloren. Volgens het hof verlangt het Unierecht niet dat steeds de meest effectieve of minst vergaande maatregel wordt gekozen, en evenmin dat de feitelijke effectiviteit van een verbod beslissend is voor de Unierechtelijke toelaatbaarheid ervan.