Gepubliceerd op donderdag 18 juni 2026
IEF 23630
Rechtbank Rotterdam ||
21 apr 2026
Rechtbank Rotterdam 21 apr 2026, IEF 23630; ECLI:NL:RBROT:2026:5250 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/rectificatie-bevolen-na-misleidende-publicatie-over-oud-werknemer

Rectificatie bevolen na misleidende publicatie over oud-werknemer

Rb. Rotterdam 21 april, IEF 23630; ECLI:N:RBROT:2026:5250 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiser] en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van haar beautysalon te berichten dat [eiser], een voormalig werknemer, zonder haar medeweten Tikkie-betalingen van klanten zou hebben ontvangen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt dat sprake is van een feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en tasten de goede naam van [eiser] aan. [gedaagde] moet daarom een rectificatie versturen en inzage verschaffen in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie, op straffe van een dwangsom, en wordt veroordeeld in de proceskosten. [eiser] was van mei 2023 tot februari 2025 in dienst bij [gedaagde]. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over onder meer achterstallig loon, stuurde [gedaagde] in februari 2026 een e-mail aan een aantal klanten. Daarin schreef zij dat "gebleken" was dat [eiser] zonder haar medeweten klanten had verzocht betalingen via Tikkie naar haar persoonlijke rekening over te maken, dat inmiddels aangifte was gedaan en dat voor een politieonderzoek en een rechtszaak bewijs werd verzameld. Aan de ontvangers werd gevraagd hun bankgegevens te controleren en eventuele Tikkie-betalingen aan [eiser] te melden. Volgens [eiser] waren deze beschuldigingen onjuist en schadelijk voor haar reputatie. Zij wees erop dat zij meerdere betalingen via Tikkie juist op instructie of met toestemming van [gedaagde] had ontvangen. Nadat [gedaagde] weigerde haar bericht in te trekken of een rectificatie te versturen, startte [eiser] dit kort geding. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] en het recht van [eiser] op bescherming van haar goede naam. Een rectificatie kan worden bevolen wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van feitelijke gegevens die onrechtmatig is jegens een ander. Daarbij zijn onder meer van belang de ernst van de beschuldiging, de mate waarin de goede naam wordt aangetast en de vraag of de beschuldiging voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens de voorzieningenrechter is daarvan hier sprake. Het bericht vermeldt dat "gebleken" zou zijn dat [eiser] zonder medeweten van [gedaagde] betalingen via Tikkie heeft ontvangen. Uit door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt echter dat [gedaagde] in meerdere gevallen juist instructie of toestemming heeft gegeven voor dergelijke betalingen. Ook heeft [eiser] per e-mail een overzicht van ontvangen betalingen aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] erkent bovendien dat voor een deel van de betalingen toestemming bestond, maar stelt dat andere betalingen onterecht zijn ontvangen. Daarmee strookt haar bericht niet.

Daarnaast heeft [gedaagde] volgens de voorzieningenrechter onvoldoende aangetoond dat daadwerkelijk is gebleken dat [eiser] zonder toestemming betalingen heeft ontvangen of behouden. Hoewel [gedaagde] enkele stukken heeft overgelegd, bieden die onvoldoende onderbouwing voor haar stellige beschuldigingen. Juist omdat zij stelde haar verwijten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen bewijzen, had het op haar weg gelegen die onderbouwing in deze procedure te geven. De mededelingen vonden daarom ten tijde van de uitlating onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Het bericht is bovendien misleidend doordat [gedaagde] heeft nagelaten te vermelden dat zij eerder toestemming had gegeven voor Tikkie-betalingen. Daardoor ontstaat de indruk dat iedere betaling aan [eiser] buiten haar medeweten heeft plaatsgevonden. Ook de passage over aangifte, een politieonderzoek en een rechtszaak acht de voorzieningenrechter problematisch. Door de gekozen formulering wordt de suggestie gewekt dat sprake is van een lopend politieonderzoek waarbij [eiser] als verdachte betrokken is en waarvoor reeds bewijs wordt verzameld. Of daarvan daadwerkelijk sprake is, is niet komen vast te staan. De voorzieningenrechter concludeert dat de mededelingen niet anders kunnen worden opgevat dan als een concrete beschuldiging van strafbare feiten. Gelet op de ernst daarvan, de aantasting van de goede naam van [eiser] en het ontbreken van voldoende feitelijke grondslag, is de publicatie onrechtmatig. Het belang van [gedaagde] bij het verzamelen van bewijs rechtvaardigt niet dat zij daarbij op deze wijze de reputatie van [eiser] schaadt. Ook zonder de onjuiste of misleidende mededelingen had zij haar klanten om informatie kunnen vragen. De belangen van [eiser] wegen daarom zwaarder. De gevorderde rectificatie wordt grotendeels toegewezen, zij het in een minder stellige bewoording dan door [eiser] voorgesteld, mede omdat de onderliggende civielrechtelijke discussie over de rechtmatigheid van alle Tikkie-betalingen nog in een bodemprocedure moet worden uitgevochten. Daarnaast krijgt [eiser] recht op inzage in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie. Die inzage hoeft uitsluitend te worden verstrekt aan een door [eiser] aan te wijzen deurwaarder, zodat kan worden gecontroleerd of de rectificatie daadwerkelijk aan alle ontvangers van het oorspronkelijke bericht is verzonden. Aan de veroordelingen tot rectificatie en inzage wordt een dwangsom verbonden en [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

 

5.8. Het bericht van [gedaagde] bevat de mededeling dat “gebleken” zou zijn dat [eiser] “zonder medeweten” van [gedaagde] betalingen van klanten via Tikkie zou hebben ontvangen. Dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend.

5.9. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van de ontvangst en behoud van betalingen via Tikkie op instructie of met toestemming van [gedaagde] . Dit blijkt uit diverse WhatsApp-berichten van [gedaagde] waarin die instructie of toestemming werd gegeven. Het blijkt ook uit een e-mailbericht van [eiser] aan [gedaagde] waarin een overzicht werd gegeven van welke betalingen zij had ontvangen en behouden. [gedaagde] betwist bovendien niet dat zij voor meerdere betalingen via Tikkie wel instructie of toestemming zou hebben gegeven, maar stelt dat [eiser] andere betalingen ten onrechte zou hebben ontvangen en behouden. Dit alles staat haaks op hetgeen [gedaagde] in het bericht heeft medegedeeld.

5.10. [gedaagde] heeft verder vooralsnog onvoldoende aangetoond dat zou zijn “gebleken” dat [eiser] betalingen via Tikkie heeft ontvangen of behouden zonder daartoe instructie of toestemming voor te hebben verkregen. [gedaagde] heeft hiertoe wel enkele producties overgelegd, maar haar toelichting daarbij overtuigt niet. Dat geldt temeer nu [gedaagde] heeft gesteld dat zij met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid kan aantonen waar zij [eiser] van verwijt. Het had voor de hand gelegen dat [gedaagde] dat in deze procedure dan ook had gedaan. Hieruit volgt dat de mededeling (ook) ten tijde van de uitlating onvoldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal en vooralsnog niet voor waar kan worden gehouden.

5.11. De feitelijke mededelingen in het bericht van [eiser] zijn gelet op het voorgaande onjuist, maar ook door onvolledigheid misleidend. [gedaagde] heeft immers achterwege gelaten te benoemen dat zij ook toestemming en instructie heeft gegeven voor de ontvangst van betalingen via Tikkie. Daardoor wordt de suggestie gewekt dat iedere betaling aan [eiser] via Tikkie ten onrechte, althans buiten het zicht van [gedaagde] zou zijn gedaan. Deze onvolledige mededeling is misleidend, omdat ontvangers van het bericht door deze onvolledigheid op het verkeerde been worden gezet, terwijl dat niet het geval zou zijn geweest indien de mededeling niet onvolledig was geweest.

5.12. Het bericht bevat ook de mededeling: “Wij hebben inmiddels aangifte gedaan en er loopt een juridische procedure. Voor het politieonderzoek en de rechtszaak zijn zij bezig met het verzamelen van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat deze Tikkie-verzoeken daadwerkelijk zijn verstuurd en betaald.”. Door de context en formulering van de bewoordingen “rechtszaak” en “zijn zij bezig”, wekt dit de suggestie dat sprake is van (straf)rechtszaak, waarvoor de politie bewijsmateriaal zou verzamelen met behulp van [gedaagde] . Hoewel [gedaagde] stelt aangifte te hebben gedaan van een strafbaar feit, heeft zij in deze procedure geen aangifte overgelegd. Het is verder niet bekend of de politie momenteel onderzoek verricht en in dat kader bewijsmateriaal zou verzamelen. Daarmee staat de juistheid van deze mededelingen niet vast. Zelfs indien een aantal van de door [gedaagde] medegedeelde feiten wel juist zouden zijn, geldt dat de context en formulering waarin de uitlating is gedaan, de suggestie wekken dat sprake is van een lopend politieonderzoek en daaraan gekoppelde procedure waarbij [eiser] als verdachte zou zijn betrokken. Daar is vooralsnog niet van gebleken.