Gepubliceerd op dinsdag 14 april 2026
IEF 23467
Rechtbank Amsterdam ||
1 apr 2026
Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IEF 23467; ECLI:NL:RBAMS:2026:3264 (IMD tegen ING), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/rb-amsterdam-ing-niet-aansprakelijk-voor-schade-na-factuurfraude

Rb. Amsterdam: ING niet aansprakelijk voor schade na factuurfraude

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23467; IT 5202; ECLI:NL:RBAMS:2026:3264 (IMD tegen ING). De rechtbank wijst de vordering van International Media Distribution (Luxembourg) (IMD) tegen ING Bank N.V. af. IMD was in oktober 2019 slachtoffer geworden van factuurfraude: zij ontving een ogenschijnlijk van haar vaste zakenpartner ART afkomstige factuur en daarna een herziene factuur met een ander rekeningnummer, waarna zij op 28 oktober 2019 een bedrag van € 418.553 overmaakte naar een bij ING aangehouden rekening. Later bleek dat deze rekening niet aan ART toebehoorde, maar aan Fountainebleau Invest B.V. Kort na ontvangst werd het bedrag in meerdere transacties doorgestort naar buitenlandse rekeningen. IMD stelde dat ING haar bijzondere zorgplicht had geschonden doordat de bank, ondanks signalen van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau, niet tijdig had ingegrepen. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank IMD opgedragen te bewijzen dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden op die rekening. Het aanvankelijk ook opgedragen bewijs dat verhaal op Fountainebleau en gelieerde personen vruchteloos was geweest, hoefde uiteindelijk niet meer te worden geleverd, omdat ING dat punt later niet langer betwistte. De rechtbank verwerpt vervolgens IMD’s betoog dat zij zou moeten terugkomen op het in het tussenvonnis gehanteerde juridische uitgangspunt, waaronder IMD’s stelling dat relevante wetenschap mede uit de werking van geautomatiseerde transactiemonitoringssystemen van ING zou moeten worden afgeleid.

De rechtbank oordeelt dat IMD niet in deze bewijsopdracht is geslaagd. Zij stelt voorop dat op een bank onder omstandigheden een bijzondere zorgplicht kan rusten, ook jegens derden, maar dat voor aansprakelijkheid in deze zaak vereist is dat ING daadwerkelijk kennis had van concrete signalen of meldingen van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau. Het enkele bestaan van omstandigheden die aanleiding hadden kunnen geven tot nader onderzoek is daarvoor niet voldoende. Uit de overgelegde stukken en de getuigenverklaringen van ING-medewerkers volgt volgens de rechtbank een consistent beeld dat ING pas op 31 oktober 2019, na de melding van IMD, van de fraude kennis kreeg. Daarna heeft ING direct maatregelen genomen, waaronder het blokkeren van de rekening en het verzenden van Swift-berichten aan betrokken banken om doorgestorte gelden terug te halen. Niet is komen vast te staan dat vóór 31 oktober 2019 binnen de systemen van ING al een alert of andere concrete melding was gegenereerd die aanleiding had moeten geven tot ingrijpen. Dat ING in algemene zin gebruikmaakt van transactiemonitoring, indicatoren en risicoscores maakt nog niet dat in dit concrete geval een alert is afgegaan of dat ING vóór de melding van IMD daadwerkelijk op de hoogte was van onregelmatigheden. Omdat dus niet is bewezen dat ING vóór of op 28 of 29 oktober 2019 de vereiste subjectieve wetenschap had, kan niet worden vastgesteld dat ING haar bijzondere zorgplicht jegens IMD heeft geschonden. De vordering van IMD tot betaling van € 418.553 wordt daarom afgewezen. IMD wordt veroordeeld in de proceskosten van € 19.836,50, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten zoals in het dictum vermeld.

2.17.

Voor zover IMD heeft betoogd dat de systemen van ING al vóór 31 oktober 2019 een alert moeten hebben gegenereerd, is dit niet komen vast te staan. De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hem niet bekend is dat in dit geval een dergelijke systeemmelding is afgegaan. Ook uit de door ING overgelegde stukken (waaronder de interne frauderapportage van de ING) blijkt niet dat vóór 31 oktober 2019 een alert of andere melding binnen de systemen van ING is gegenereerd die aanleiding had moeten geven tot ingrijpen. Dat binnen de systemen van ING in algemene zin risicoscores worden toegekend aan bepaalde handelingen of transacties, zoals [naam getuige 2] heeft verklaard, maakt nog niet dat in dit concrete geval een alert is gegenereerd of dat ING daadwerkelijk kennis heeft gehad van onregelmatigheden.

2.18.

De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken en de afgelegde getuigenverklaringen in onderlinge samenhang bezien een consistent beeld opleveren. Daaruit volgt dat ING naar aanleiding van de melding van 31 oktober 2019 kennis heeft gekregen van de fraude met betrekking tot de rekening van Fountainebleau en vervolgens maatregelen heeft genomen. Niet is komen vast te staan dat ING vóór of op 28 of 29 oktober 2019 over dergelijke subjectieve wetenschap beschikte. Daarmee is IMD niet geslaagd in de aan haar opgedragen bewijslevering.

2.19.

Nu IMD niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau, kan niet worden vastgesteld dat ING haar bijzondere zorgplicht jegens IMD heeft geschonden. Daarom kan de vordering van IMD niet slagen en zal dus worden afgewezen.