31 mrt 2026
Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal.
Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd
Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.
Het hof acht daarnaast van belang dat [geïntimeerde sub 1] in de posts voldoende herkenbaar was, dat [appellant sub 1] meer dan 35.000 volgers had op X en LinkedIn en dat hij zijn volgers uitdrukkelijk opriep de berichten te delen en te becommentariëren. Zoals [appellanten] hadden kunnen en moeten voorzien, riepen de posts vele beledigende en dreigende reacties op. Ook acht het hof onvoldoende betwist dat bij de onderneming van [geïntimeerde sub 1] dreigende telefoontjes zijn binnengekomen en dat [geïntimeerde sub 1] door de afdeling regionale conflict- en crisisbeheersing van de politie is geadviseerd om met zijn gezin naar een safe house te gaan. Tegen die achtergrond oordeelt het hof, net als de voorzieningenrechter, dat de belangenafweging uitvalt in het voordeel van [geïntimeerden] en dat de plaatsing van de posts onrechtmatig was. Het hof bekrachtigt daarom het bevel om de posts te verwijderen en verwijderd te houden en om een rectificatie te plaatsen. De door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen van € 1.500 per uur voor het niet verwijderen en € 10.000 per dag voor het niet plaatsen van de rectificatie, met een maximum van € 250.000, acht het hof niet disproportioneel; er is geen grond voor verlaging, maar ook niet voor verhoging tot € 500.000, zoals in incidenteel appel was gevorderd. De gevorderde werkelijke proceskosten worden afgewezen, omdat van misbruik van procesrecht door het instellen van hoger beroep geen sprake is. Het vonnis wordt bekrachtigd. [appellanten] worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep van € 3.596, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten, en [geïntimeerden] hoofdelijk in de kosten van het incidenteel hoger beroep van € 645, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente.
3.14.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof, net als de voorzieningenrechter, van oordeel dat de afweging tussen het recht van [geïntimeerden] op bescherming van hun eer en goede naam en het recht van [appellanten] op vrije meningsuiting, in het voordeel van [geïntimeerden] uitvalt. De plaatsing van de posts op de sociale media was onrechtmatig jegens [geïntimeerden] , (met name) omdat daarin het voicemailbericht van [geïntimeerde sub 1] onvolledig, en daarmee misleidend, was weergegeven, en omdat uit de posts gemakkelijk de naam van [geïntimeerde sub 1] was te herleiden, met de schadelijke gevolgen die dat voor [geïntimeerde sub 1] heeft gehad.
De voorzieningenrechter heeft daarom terecht en op goede gronden [appellanten] veroordeeld om, teneinde verdere schade zoveel mogelijk te voorkomen, de posts te verwijderen en de rectificatie te plaatsen.
3.15.1.
Volgens [appellanten] zijn de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen disproportioneel.
[geïntimeerden] hebben daarentegen - in incidenteel hoger beroep - gevorderd om de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom op te hogen naar maximaal € 500.000,- (een verdubbeling). Zij hebben daartoe aangevoerd dat [appellanten] niet (volledig) aan de veroordelingen hebben voldaan: de rectificatie is niet weergegeven zoals door de voorzieningenrechter voorgeschreven, na het vonnis zijn er opnieuw vergelijkbare posts geplaats en ook overigens hebben [appellanten] zich niet veel aangetrokken van (de bedoeling van) het oordeel van de voorzieningenrechter, aldus [geïntimeerden]
3.15.2.
Het hof overweegt dat het opleggen van een dwangsom een discretionaire bevoegdheid van de rechter is. De rechter dient de hoogte van de dwangsom vast te stellen naar de aard en omstandigheden van het geval. Uit het algemene uitgangspunt dat in hoger beroep een nieuwe beoordeling plaatsvindt, volgt dat de appelrechter ten volle - en dus niet terughoudend - de hoogte beoordeelt van een in eerste aanleg opgelegde dwangsom, ook voor zover die ziet op het verleden (HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1530).
Naar het oordeel van het hof zijn de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen (met een maximum van € 250.000,-), gezien de ernst van de onrechtmatig geachte gedragingen van [appellanten] , de wijze van publicatie van de posts en de gevolgen die deze hebben gehad voor [geïntimeerden] , niet disproportioneel. Het hof kan niet concluderen dat de opgelegde dwangsommen als zodanig disproportioneel zijn als prikkel tot naleving van de uitgesproken rectificatie en/of tot naleving van het post-verbod van 72 uren en ziet daarom geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, noch om een hogere dwangsom op te leggen. Ook voor de ophoging van het in eerste aanleg bepaalde dwangsommaximum ziet het hof geen grond.
3.16.
[geïntimeerden] hebben na wijziging van eis in hoger beroep gevorderd om [appellanten] in de werkelijke proceskosten te veroordelen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de wijze van handelen en procederen van [appellanten] niet door de beugel kan, dat zij [appellanten] niet willen laten wegkomen met hun juridische getover en dat een reële proceskostenveroordeling moet voorkomen dat [appellanten] in de toekomst nog meer onschuldige en kwetsbare mensen zullen benadelen.
Het hof overweegt dat een vordering tot vergoeding van alle in verband met de procedure gemaakte kosten slechts toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht. Daarvan zou in het onderhavige geval pas sprake kunnen zijn indien het instellen van het hoger beroep door [appellanten] , gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Mede gezien het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat [appellanten] misbruik van procesrecht hebben gemaakt doordat zij het bestreden vonnis in hoger beroep hebben willen laten toetsen.
3.17.
Gelet op het hiervoor overwogene falen de grieven, zowel in principaal als in incidenteel hoger beroep. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen.