Annotatie geschreven door P.B. Hugenholtz.
Noot onder HvJ EU 5 december 2025, gevoegde zaken C‑580/23 en C‑795/23 ECLI:EU:C:2025:941 (Mio & konektra)
[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/155]
Noot
Dit is een belangrijk arrest met voor het Nederlandse auteursrecht en de rechtspraktijk directe consequenties. Het HvJEU geeft uitleg aan de inhoud en toepassing van de oorspronkelijkheidstoets, een kernbegrip in het geharmoniseerde auteursrecht. De creativiteit die voorwaarde is voor de bescherming van een werk mag niet worden verondersteld, maar moet blijken uit de creatieve (persoonlijk) keuzen van de auteur die in het werk zichtbaar zijn. Daarnaast spreekt het Hof zich uit over de beschermingsomvang van een werk, waarbij afstand wordt genomen van het door de Hoge Raad ontwikkelde totaalindrukkencriterium. Ook verduidelijkt het arrest de verhouding tussen auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst en het bijzondere modellenrecht.
Feiten
Het arrest is gewezen in twee gevoegde zaken. In de Zweedse zaak C-580/23 roept Asplund auteursrechtelijke bescherming in voor zijn Palais Royal eetkamertafel t.o.v. de sterk gelijkende tafel Cord van meubelwinkelketen Mio. De Duitse zaak C-795/23 betreft een modulair kastsysteem [“gekenmerkt door hoogglanzend verchroomde ronde buizen die via bolvormige koppelstukken met elkaar zijn verbonden en een structuur vormen waarin gekleurde metalen panelen worden geplaatst”]. Volgens ontwerper USM pleegt konektra inbreuk door het online aanbieden van een sterk gelijkend systeem alsmede onderdelen of uitbreidingen daarvan.
Het HvJEU beantwoordt de uitvoerige prejudiciële vragen van de Svea hovrätt, de Zweedse appelrechter in IE-zaken, en het Bundesgerichtshof grotendeels in lijn met de conclusie van AG Szpunar.
Relatie auteursrecht-modellenrecht
Het HvJ bespreekt eerst de vraag hoe auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst zich in het algemeen verhoudt tot het modellenrecht, het IE-regime dat op basis van een depotsysteem kortlopende bescherming (max. 25 jaar) toekent aan het nieuwe uiterlijk van een gebruiksvoorwerp. Beide regimes zijn in de EU in belangrijke mate geharmoniseerd. Enkele lidstaten, waaronder Duitsland en Italië, hanteren van oudsher strenge eisen voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst om te voorkomen dat het modellenrecht door het auteursrecht, dat geen depotvereiste kent en veel langer duurt (tot 70 jaar p.m.a.), wordt ondermijnd. In het verleden gold ook in de Benelux een striktere auteursrechtelijke toets (modellen moesten “een duidelijk kunstzinnig karakter vertonen”), maar daaraan is al in de vorige eeuw een einde gemaakt [Hoge Raad 29 november 1985 en BenGH 22 mei 1987, NJ 1987, 880-881 m.nt. Wichers Hoeth].
In het Cofemel-arrest [zaak C-683/17, NJ 2020/90 m.nt. Spoor] had het HvJEU al verklaard dat werken van toegepaste kunst aan de normale auteursrechtelijke werktoets zijn onderworpen, waarbij cumulatie tussen auteursrecht en modellenrecht in beginsel mogelijk is. Het Hof overwoog echter ook “dat een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen” (Cofemel, ro. 52). Auteursrechtelijke bescherming is volgens het Hof enkel “voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd” (Cofemel, ro.50). Deze overwegingen riepen de vraag of het Hof niet toch een striktere maatstaf voor werken van toegepaste kunst voor ogen had, zodat auteursrechtelijke bescherming t.o.v. het modellenrecht een uitzondering zou blijven.
In het Mio-arrest verduidelijkt het Hof zijn Cofemel-oordeel. Auteursrecht en modellenrecht zijn verschillende regimes met onderling afwijkende criteria. Terwijl in het modellenrecht nieuwheid en eigen karakter volstaan, waarbij creativiteit geen rol speelt [zie HvJEU 18 december 2025, zaak C-323/241, ECLI:EU:C:2025:983 (Deity Shoes)], verlangt het auteursrecht originaliteit (oorspronkelijk karakter). Deze voorwaarden mogen niet met elkaar worden verward, zo maant het Hof (ro. 54). De auteursrechtelijke originaliteitseis is, zo blijkt uit het vervolg van het arrest, geen sinecure. Weliswaar bestaat er “geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijkebescherming” (ro. 56), en geldt voor auteursrechtelijke bescherming van modellen werken van toegepaste kunst, zoals de meubelontwerpen in kwestie, de normale werktoets, maar aan deze toets is voor deze categorie creaties niet gemakkelijk voldaan. Anders dan bij “vrije” kunstuitingen, zoals werken van letterkunde, muziek en film`, is de creatieve vrijheid van meubelontwerpers en andere designers immers ingeperkt door allerlei functionele, technische en ergonomische randvoorwaarden. Auteursrechtelijke originaliteit is in zo’n geval niet vanzelfsprekend.
Oorspronkelijkheid
Wanneer is aan de eis van originaliteit voldaan? Het Hof concludeert uit zijn eerdere rechtspraak dat “om vast te stellen dat een werk oorspronkelijk is in de zin van het auteursrecht, de aangezochte rechter moet beoordelen of het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt, uitdrukking geeft aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen.” (ro. 61) Opvallend is dat het HvJEU – in het verlengde van de conclusie van de AG – enkele malen ook de term “uniek” gebruikt (bijvoorbeeld in ro. 55: “[…] aangezien een auteur een uniek werk dient te creëren dat zijn persoonlijkheid weerspiegelt”). Deze term kwamen we in de auteursrechtelijke jurisprudentie van het HvJEU niet eerder tegen. Ervan uitgaande dat het auteursrecht geen eis van nieuwheid omvat, mag worden aangenomen dat het HvJEU hiermee doelt op het eigen karakter van het werk, een aspect van de oorspronkelijkheidseis. Een nieuw criterium mag hierin m.i. niet gelezen worden.
Onder verwijzing naar het Brompton-arrest [HvJEU 11 juni 2020, zaak C-833/18, NJ 2021/175 m.nt. Hugenholtz] benadrukt het Hof dat technisch of functioneel geïndiceerde keuzes niet creatief zijn, ook niet als de ontwerper uit een veelheid van vormalternatieven heeft kunnen kiezen. “De rechter die dient te oordelen of een gebruiksvoorwerp oorspronkelijk is, moet dus de creatieve keuzen in de vorm ervan onderzoeken en identificeren om het als auteursrechtelijk beschermd te kunnen aanmerken, met dien verstande dat, zelfs wanneer de auteur ervan keuzen heeft gemaakt die niet door technische of andere beperkingen zijn ingegeven, de creatieve aard van die keuzen in de zin van het auteursrecht niet mag worden verondersteld.” (ro. 65). Dit is een belangrijke overweging. De creativiteit van de vrije keuzen “mag niet worden verondersteld”, maar moet op basis van de vorm van het werk (het ontwerp) worden onderzocht en geïdentificeerd. In de Nederlandse rechtspraak werd in het verleden vaak volstaan met de overweging dat bepaalde ontwerpkeuzes niet door objectieve randvoorwaarden zijn bepaald en dat andere ontwerpers andere keuzes (zouden) hebben gemaakt. Maar het Mio- arrest eist meer: de gemaakte keuzes moeten “creatief” zijn, dat wil zeggen: de persoonlijkheid van de maker (ontwerper) weerspiegelen.
Daarbij benadrukt het Hof dat deze keuzen in het werk zelf tot uitdrukking moeten zijn gebracht, dat wil zeggen “dat deze keuzen en de persoonlijkheid van de auteur zichtbaar moeten zijn in het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt” (ro. 71). Daarmee gaat het Hof een stap verder dan het Painer-arrest, dat suggereerde dat het “maken van vrije en creatieve keuzen” voor bescherming voldoende zou zijn [HvJ EU 1 december 2011, C‑145/10, NJ 2013/66, m.nt. De Boer en Hugenholtz]. De creatieve keuzes moeten in het werk zelf zijn aan te wijzen. Dit houdt verband met de door het HvJEU in de zaak Levola geformuleerde rechtszekerheidseis: een auteursrechtelijk werk moet voldoende nauwkeurig en objectief identificeerbaar zijn. Het auteursrecht beschermt geen abstracte ideeën, zolang deze niet in het werk zelf uitdrukking hebben gevonden (ro. 72-73).
Het voorwerp waarvoor bescherming wordt ingeroepen vormt derhalve het vertrekpunt van de rechterlijke beoordeling van de oorspronkelijkheid. In zoverre sluit dit aan bij het oordeel van de Hoge Raad in de Endstra-zaak: “Het gaat hierbij evenwel om een kenmerk dat uit het voortbrengsel zelf is te kennen.” [HR 30 mei 2008, NJ 2008, 318, ro. 4.5.2]. Maar anders dan de HR meende, mag de rechter in zijn oorspronkelijkheidsoordeel wel degelijk “rekening houden met het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur, op voorwaarde dat die elementen tot uitdrukking zijn gebracht in het voorwerp zelf, zonder dat hij evenwel zijn beoordeling uitsluitend op die elementen mag baseren” (ro. 75). Dat kan ook moeilijk anders. Behalve in het geval van volledig vrije kunst (bijv. een schilderij), waar de creatieve keuzes zogezegd vanaf druipen, zal de rechter zich steeds moeten afvragen binnen welke kaders de keuzes van de auteur hebben plaatsgevonden. Daarbij zijn kennis van het – op zichzelf onbeschermde – idee (de bedoeling van de maker) en van het scheppingsproces waaruit de creativiteit van de keuzes blijkt onontbeerlijk. Met dat al lijkt het Endstra-arrest, dat ruimte liet voor auteursrechtelijke bescherming van door de politie opgetekende “achterbankgesprekken”, moeilijk met het Mio-arrest te rijmen.
Het arrest bevat nog meer aanwijzingen voor het bepalen van de oorspronkelijkheid van het werk. De rechter mag geen eis stellen van “een eigen en vanuit esthetisch of artistiek oogpunt opvallend visueel effect” (ro. 69). Dat de kunstzinnige kwaliteit van een werk geen rol mag spelen, was in Nederland al langer aanvaard. Oorspronkelijkheid mag evenmin worden afgeleid uit de aanwezigheid van het ontwerp op een tentoonstelling of de waardering door vakgenoten; dergelijke accolades zijn “noch noodzakelijk noch doorslaggevend” (ro. 81).
Componenten van een werk moeten op gelijke voet met het gehele werk getoetst worden (ro. 66). En zelfs als een ontwerp uitsluitend uit “beschikbare vormen” (bestaande vormelementen) bestaat, kan toch sprake zijn van een oorspronkelijk werk zijn “wanneer de auteur zijn creatieve keuzen tot uitdrukking heeft gebracht in de schikking van die vormen” (ro. 78). Daarmee wordt het oordeel van de HR in de Stokke-zaken [HR 22 februari 2013 NJ 2013/501 m.nt. Hugenholtz (Stokke-zaken)] gevalideerd. Volgens de HR kon ook “een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen” een oorspronkelijk werk opleveren “mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt” [HR Stokke/H3, ro. 3.4 (e)].
Evenmin verrassend is het oordeel van het HvJEU dat ontwerpvarianten ook auteursrechtelijk beschermd kunnen zijn, indien de toegevoegde elementen oorspronkelijk zijn. Bij varianten op eerder werk van dezelfde auteur werkt de oorspronkelijkheid door in de nieuwe versie (ro. 79). De Hoge Raad had dit al gezegd in de zaak Philips/Lidl [HR 7 juli 2023, NJ 2023/323 m.nt. Verkade].
In veel design-zaken baseren rechters hun oorspronkelijkheidsoordeel mede op het zogeheten ‘vormgevingserfgoed’, het geheel van reeds bestaande ontwerpen op een bepaald terrein. Mag de rechter dit doen? Nee en ja. Het auteursrecht vergt weliswaar geen nieuwheid maar “de schepping door een andere auteur van voorwerpen die soortgelijk of identiek zijn aan een bepaald voorwerp, vóór de schepping van dit voorwerp, [kan] een indicatie zijn van de lage graad of zelfs het ontbreken van oorspronkelijkheid van dit voorwerp.” (ro. 80). Ergo, het vormgevingserfgoed mag fungeren als contra-indicatie van oorspronkelijkheid. Dat neemt niet weg “dat de mogelijkheid dat twee auteurs onafhankelijk gelijkaardige of zelfs identieke creatieve keuzen maken, niet volledig kan worden uitgesloten”. Het HvJEU erkent hiermee de Doppelschöpfung, de onafhankelijk tot stand gekomen, sterk gelijkende creatie. Aangezien de kans dat dit gebeurt gering is, moet de partij die zich hierop beroept dit aantonen (ro. 91). Deze bewijsregel is in Nederland al langer geldend recht [HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0513, NJ 1993/164 (Barbie)].
Beschermingsomvang/inbreuk
Het Mio-arrest geeft, tenslotte, ook belangrijke aanwijzingen over de beschermingsomvang van het werk en de daaraan gerelateerde inbreuktoets. Hoewel het geharmoniseerde auteursrecht hierover nauwelijks iets zegt, baseert het Hof zich op het Infopaq-arrest, waarin het Hof een ruime uitleg gaf aan het reproductierecht: de bescherming strekt zich uit tot de overname van ieder gedeelte van het werk dat “uitdrukking geeft aan de eigen intellectuele schepping van de auteur ervan” (ro. 85) De oorspronkelijkheidstoets bepaalt dus niet alleen of er sprake is van een werk, maar ook de beschermingsomvang ervan. Onder verwijzing naar het Pelham-arrest [HvJEU 29 juli 2019, zaak C-476/17, NJ 2020/354 m.nt. Hugenholtz] overweegt het Hof dat de overgenomen elementen “herkenbaar” in een inbreukmakend voorwerp aanwezig moeten zijn. Daarbij is de “gewekte algemene indruk” niet doorslaggevend (ro. 87) en zelfs irrelevant (ro.92). Hiermee maakt het HvJEU een einde aan het ‘totaalindrukkencriterium’ dat sinds 1995 in de Nederlandse jurisprudentie werd gehanteerd [HR 29 december 1995, NJ 1996/546 (Decaux/Mediamax)]. Dit criterium hoort thuis in het modellenrecht, zo merkt het Hof terecht op. Of de door het Hof geformuleerde herkenbaarheidstoets in de praktijk veel verschil zal maken, valt echter te bezien. De Hoge Raad had het totaalindrukkencriterium in de Stokke-arresten al afgezwakt door te verduidelijken dat niet beschermde aspecten niet bij de vergelijking mogen worden betrokken [HR Stokke/H3, ro. 3.4 (e)]. Een kleine smet op een overigens uitstekend gemotiveerd arrest is, tenslotte, ro. 88, waar het HvJEU voor de zoveelste keer overweegt dat de beschermingsomvang niet afhangt van de mate van creatieve vrijheid waarover de auteur heeft beschikt. Deze overweging is afkomstig uit het Painer-arrest, waar onder meer de vraag aan de orde kwam of voor fotografische werken een hogere originaliteitseis geldt dan voor andere werksoorten [zie noot Hugenholtz bij HvJ EU 1 december 2011, C‑145/10, NJ 2013/66]. Het Hof oordeelde destijds terecht dat dat niet het geval is. Maar hoewel alle werken (net als mensen) gelijke behandeling verdienen, is de beschermingsomvang in een concreet geval juist wel afhankelijk van de mate van oorspronkelijkheid van het werk. Dat blijkt zonneklaar uit het (in Mio-arrest uitvoerig aangehaalde) Infopaq-arrest: hoe meer oorspronkelijke elementen in een werk zijn aan te wijzen, des te groter is de kans dat een reproductie of bewerking ervan inbreukmakend is.
Conclusies
Het Mio-arrest wordt ongetwijfeld een klassieker in het Europese auteursrecht. Uit het arrest zijn voor het Nederlandse recht en de rechtspraktijk belangrijke lessen te trekken. In de eerste plaats: creativiteit is bij werken van toegepaste kunst - en andere werken met een technisch of functioneel karakter – geen gegeven. De ontwerper (c.q. rechthebbende) zal de oorspronkelijkheid van het design moeten bewijzen, niet alleen door aannemelijk te maken dat de ontwerper – binnen de functionele, technische en ergonomische specificaties van het product – in vrijheid creatieve keuzen heeft kunnen maken, maar ook dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Tevens zal hij de gemaakte creatieve keuzes in zijn werk moeten kunnen aanwijzen.
Daarbij mag (en zal) bewijs van de bedoelingen van de ontwerper en het scheppingsproces een rol spelen, voor zover deze in het werk zijn terug te vinden. Dat is vooral in het licht van de oprukkende AI een belangrijke constatering. Juist bij creaties die (mede) met behulp van AI tot stand zijn gebracht, kan niet volstaan worden met een beoordeling van het eindproduct, zonder enige kennis van het scheppingsproces. Voor auteurs, en ontwerpers in het bijzonder, is het daarom raadzaam een dossier, waarin het scheppingsproces is gedocumenteerd, bij te houden en zo nodig in rechte te overleggen. Maar ook dan is auteursrechtelijke bescherming geen sinecure, zo leert het Mio-arrest. Ontwerpers die van bescherming tegen namaak verzekerd willen zijn, doen er met dat al verstandig aan hun modellen te deponeren en niet blindelings op het auteursrecht te vertrouwen.
De tweede les is dat de rol van het totaalindrukkencriterium bij auteursrechtinbreuk is uitgespeeld. Voortaan zal de rechter moeten onderzoeken of en in hoeverre oorspronkelijke elementen uit het eisende werk herkenbaar zijn overgenomen. Of dat in de praktijk voor de beschermingsomvang veel verschil gaat maken, valt echter te bezien.
Het arrest is eerder besproken door Visser in Ars Aequi [AA20260135] en Torenbosch in Intellectuele Eigendom en Reclamerecht [IER 2026, afl. 1, p. 17].