Gepubliceerd op donderdag 4 juni 2026
IEF 23600
HvJ EU ||
26 mei 2026
HvJ EU 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 ((Stokke c.s. tegen Cybex c.s.)), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/hof-s-hertogenbosch-bekrachtigt-executievonnis-executie-door-stokke-onrechtmatig

Uitspraak ingezonden door Maga Verwoert & Max van Oostrum, Leeway.

Hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigt executievonnis: executie door Stokke onrechtmatig

Hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 (Stokke c.s. tegen Cybex c.s.). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het executievonnis (IEF 23045) tussen Stokke c.s. en Cybex c.s. bekrachtigd. Volgens het hof heeft Cybex geen dwangsommen verbeurd wegens overtreding van het eerder opgelegde verbod met betrekking tot de Iris Chair. De door Stokke ingestelde executiemaatregelen waren daarom onrechtmatig. Aan het geschil ligt een eerder kortgedingvonnis ten grondslag waarin Cybex was verboden de Iris Chair binnen de Europese Unie te verhandelen wegens een aangenomen auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel van Stokke . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dat verbod later vernietigd voor de lidstaten buiten Nederland (IEF 23486). Daardoor resteerde in het onderhavige executiegeschil uitsluitend nog de vraag of Cybex binnen Nederland het verbod had overtreden en daardoor dwangsommen had verbeurd. Stokke stelde dat Cybex het verbod had geschonden doordat promotievideo's van de Iris Chair na betekening van het vonnis nog zichtbaar waren op de global social-media-accounts van Cybex Retail op Facebook, Instagram, YouTube en LinkedIn. Ook werd aanvankelijk gewezen op een brief aan afnemers en een vermeend aanbod van de stoel via een website, maar die verwijten werden tijdens de procedure ingetrokken. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een gestelde overtreding niet alleen naar de letterlijke tekst van het dictum moet worden gekeken, maar ook naar de overwegingen waarop de veroordeling berust. Uit het oorspronkelijke kortgedingvonnis volgt volgens het hof dat sprake was van een terughoudend geformuleerd verbod. De voorzieningenrechter had uitdrukkelijk overwogen dat de maatregel uitsluitend was bedoeld als een "standstill" om verdere marktintroductie van de Iris Chair te voorkomen totdat in een bodemprocedure duidelijkheid zou bestaan over de auteursrechtelijke beoordeling. Tegen die achtergrond moet het verbod volgens het hof beperkt worden uitgelegd. Het verbod zag op nieuwe handelingen gericht op verkoop, verhandeling of verdere marktintroductie van de Iris Chair.

Daaronder vallen niet zonder meer promotievideo's die reeds maanden vóór betekening van het vonnis op socialmediakanalen waren geplaatst. Het enkele feit dat dergelijke berichten na betekening nog online stonden, betekent volgens het hof niet dat sprake is van een nieuwe verhandelingshandeling of een overtreding van de opgelegde standstill. Het hof wijst er daarbij op dat Stokke zelf tijdens de procedure had erkend dat de bedoeling van het verbod was om verdere marktintroductie te voorkomen. Ook heeft Stokke onvoldoende onderbouwd waarom de betreffende socialmediaberichten als merendeels op Nederland gerichte reclame-uitingen moesten worden aangemerkt. Voor zover sommige berichten al op Europese markten waren gericht, volgt daaruit nog niet dat zij binnen de beperkte reikwijdte van het verbod vielen. Daarnaast bespreekt het hof uitvoerig de betekening van het vonnis in Duitsland. De stukken waren zowel door een Duitse gerechtsdeurwaarder als rechtstreeks via UPS aan de Duitse Cybex-vennootschappen verzonden. Anders dan de voorzieningenrechter oordeelt het hof dat deze wijze van betekening voldoet aan de Europese Betekeningsverordening. Dat oordeel leidt echter niet tot een ander resultaat, omdat ook bij een rechtsgeldige betekening geen overtreding van het verbod is vastgesteld. Nu geen van de door Stokke aangevoerde gedragingen een overtreding oplevert, zijn geen dwangsommen verbeurd. Het hof bekrachtigt daarom het executievonnis waarin reeds was geoordeeld dat de executie door Stokke onrechtmatig was. Stokke wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

3.33. Met hun derde grief komen Stokke c.s. op tegen de uitleg door de executievoorzieningenrechter van de veroordeling in onderdeel 5.4. van het dictum van het veroordelend vonnis (zoals dat inmiddels luidt, na het arrest van het gerechtshof te Arnhem). Zoals het hof grief 3 begrijpt, heeft de executievoorzieningenrechter volgens Stokke c.s. de reikwijdte van de veroordeling te beperkt en daarmee onjuist uitgelegd, waardoor ook het oordeel in rov. 4.6 van het executievonnis over verwijt A onjuist is. Mede gezien de door Stokke c.s. bepleite uitleg van de veroordeling, volgens welke lezing 'iedere inbreuk' op de auteursrechten is verboden, ligt voor de hand, dat grief 3 zich mede richt tegen het oordeel over verwijt A. Uit wat Cybex c.s. in hun memorie van antwoord en op de mondelinge behandeling in hoger beroep ten aanzien van verwijt A hebben aangevoerd, leidt het hof af dat voor Cybex c.s. ook niet onduidelijk was of is geweest waartegen zij zich in hoger beroep moesten verweren. Het hof verwerpt daarom het verweer van Cybex c.s. voor zover zij daarin betogen dat Stokke c.s. hun derde grief ten aanzien van verwijt A onvoldoende hebben toegelicht.

3.37. Gelet op de overwegingen van de voorzieningenrechter volgt het hof de door de executievoorzieningenrechter gegeven uitleg van de veroordeling. Hoewel zuiver tekstueel beschouwd iets valt te zeggen voor zowel de door Stokke c.s. als de door Cybex c.s. voorgestane uitleg van de veroordeling in het dictum, geven de overwegingen van de voorzieningenrechter in het lichaam van het veroordelend vonnis wat het hof betreft de doorslag. Ook al lijkt op grond van de tekst van het dictum aanvankelijk iedere inbreuk' te worden verboden: vervolgens wordt daarin het verbod beperkt tot bepaalde handelingen in het bijzonder'. Daarmee heeft de voorzieningenrechter naar het voorlopig oordeel van het hof willen aansluiten bij de daaraan voorafgaande overwegingen over de geboden terughoudendheid en het mede daarom tot de ook in het lichaam van het veroordelend vonnis uitdrukkelijk opgesomde handelingen. Bij dit alles komt ook nog betekenis toe aan het gegeven dat, zoals ook de voorzieningenrechter uitdrukkelijk overwoog, de in kort geding te geven beslissing slechts een voorlopige voorziening betreft en geen oordeel in een bodemprocedure. De derde grief van Stokke c.s. slaagt niet

3.40. Het hof constateert dat Stokke c.s. voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep de gedragingen onder verwijt A kwalificeerde als 'verveelvoudiging' en in die vorm een inbreuk op hun auteursrechten. In het midden kan blijven of Stokke c.s. daarmee een nieuwe stelling hebben geponeerd, in strijd met de - volgens vaste rechtspraak: ook in kort geding - in hoger beroep geldende twee-conclusie-regel. Het verbod van 'verveelvoudiging' scharen Stokke c.s. namelijk uitdrukkelijk onder ‘iedere inbreuk'. Echter: in de uitleg van de veroordeling zoals eerder in dit arrest door het hof gegeven (rov. 3.37) is geen sprake van een algemeen verbod van 'iedere inbreuk'. Stokke c.s. hebben voor het overige niet, althans niet voldoende gemotiveerd aangevoerd dat de bewuste posts te brengen zijn onder één van de specifiek verboden handelingen. De enige stelling van Stokke c.s. in deze context betreft de stelling dat met die posts sprake is van 'aanbieden ter verkoop', maar hun aanvankelijke stelling dat daarvan sprake is, hebben zij na vragen daarover van het hof ter zitting vervolgens weer genuanceerd en overigens onvoldoende geconcretiseerd. Op grond van het voorgaande komt het hof tot het voorshandse oordeel dat de handhaving van (een deel van) de oude posts op global accounts van social media niet zijn aan te merken als overtreding van de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling. Daarmee komt het hof niet toe aan beoordeling van de vraag of deze posts al dan niet mede betrekking hebben op het grondgebied van Nederland, zoals partijen verdeeld houdt.

3.42. Gelet op al het voorgaande hoeft het hof, strikt genomen, ook de vraag niet meer te beantwoorden of de betekening van het veroordelend vonnis op 4 juli 2025 door middel van rechtstreekse bezorging door UPS rechtsgeldig was. Deze kwestie was bij de executievoorzieningenrechter en is in hoger beroep wel één van de belangrijkste punten van het partijdebat. Het hof ziet daarom aanleiding toch op deze kwestie in te gaan, zij het ten overvloede, met de navolgende overwegingen.

3.49. Het strookt naar het voorshandse oordeel van het hof niet met het doel van Betekeningsverordening III en de eerdere versie daarvan - het voorzien in een rechtstreekse, snelle en doeltreffende wijze van verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken - om een niet op art. 12 lid 1 Betekeningsvordering III gegronde weigering tot inontvangstneming van dergelijke stukken toelaatbaar te achten, terwijl overigens aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldige betekening per postdienst is voldaan. Deze betekeningsmogelijkheid uit art. 18 Betekeningsverordening III zou tot een dode letter verworden indien de geadresseerde zonder rechtsgeldige grond de zending zou mogen weigeren en aldus (bewijs van) de feitelijke ontvangst van de aangeboden stukken verhindert. Het hofis daarom het voorlopig oordeel toegedaan dat, bij gebrek aan een geldige weigering van die stukken door Cybex c.s., door het aanbieden van de stukken via UPS aan Cybex c.s. op 4 juli 2025 de betekening van die stukken als voltooid en rechtsgeldig moet worden beschouwd. Van een op grond van het Alder-arrest van het EU HvJ verboden 'fictieve' betekening is naar het voorshandse oordeel van het hof hier immers geen sprake: de te betekenen stukken zijn daadwerkelijk ter ontvangst aan de geadresseerden aangeboden op hun bekende vestigingsadres, maar zij hebben zonder geldige reden geweigerd die stukken in ontvangst te nemen