Gepubliceerd op maandag 13 april 2026
IEF 23462
Rechtbank Amsterdam ||
7 apr 2026
Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23462; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.minab.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

Volgens de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat partijen in oktober 2024 een re-branding zijn overeengekomen, waarbij tijdelijk een lagere vergoeding van USD 10.000 per maand (“waiting fee”) gold en [eiser 1] tijdelijk niet aan zijn promotieverplichtingen hoefde te voldoen. Uit de overgelegde WhatsApp-correspondentie kan volgens de rechter worden afgeleid dat die waiting fee over november en december 2024 en ook de nog openstaande bedragen over juli en augustus 2024 met cryptomunten zijn betaald. Daarom is voorshands niet aannemelijk dat sprake was van een material breach. Ook de verkopen in Mexico kunnen niet zonder meer als zo’n tekortkoming worden aangemerkt, omdat uit dezelfde correspondentie volgt dat de manager van [eiser 1] daarmee had ingestemd. Verder volgt de voorzieningenrechter voorshands het standpunt van [gedaagde] dat de in art. 5.2 bedoelde notice een duidelijke schriftelijke ingebrekestelling moet zijn waarbij nog een hersteltermijn van 30 dagen wordt geboden; onvoldoende aannemelijk is dat de brief van 29 oktober 2025 of de latere brieven aan dat vereiste voldoen. Daarom kan in kort geding niet worden aangenomen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden en ontbreekt de basis voor de gevorderde IE- en reclameverboden. De voorzieningenrechter komt dus niet toe aan een inhoudelijk oordeel dat daadwerkelijk sprake is van merk-, auteurs- of portretrechtinbreuk, dan wel van misleidende handelspraktijken of misleidende reclame. Alle gevraagde voorzieningen worden afgewezen. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten van € 2.101. De rechter past art. 1019h Rv niet toe, omdat het debat in overwegende mate draaide om de vraag of de overeenkomst rechtsgeldig was ontbonden en de IE-aspecten slechts summier waren uitgewerkt.

4.3.

De vraag die in dit kort geding centraal staat is of [handelsnaam 1] de overeenkomst rechtsgeldig (met inachtneming van de in artikel 5.2 van de overeenkomst gestelde vereisten) heeft ontbonden, omdat het [gedaagde] alleen dan kan worden verboden nog langer gebruik te maken van de naam en beeltenis etc. van [handelsnaam 1] . De vorderingen van [handelsnaam 1] zijn in dit kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter deze vraag bevestigend zal beantwoorden. De voorzieningenrechter acht dit echter gezien het door [gedaagde] gevoerde verweer niet voldoende aannemelijk. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.4.

Volgens [gedaagde] zijn partijen in oktober 2024 op verzoek van [handelsnaam 1] een re-branding overeengekomen. In de twee maanden dat die re-branding zou duren (voorzien was de periode november en december 2024) zou [handelsnaam 1] een lagere licentievergoeding van UDS 10.000 per maand, door partijen ook aangeduid als waiting fee, ontvangen en zou [handelsnaam 1] niet hoeven voldoen aan zijn promotieverplichtingen. [gedaagde] heeft verwezen naar de WhatsAppcorrespondentie die in oktober/november 2024 tussen de manager van [handelsnaam 1] en [gedaagde] is gevoerd en waaruit kan worden afgeleid dat de waiting fee (2 x USD 10.000) alsmede de maanden juli en augustus 2024 die nog openstonden met cryptomunten is betaald. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidt dit dus niet op een material breach. Dat de maanden juli en augustus 2024 te laat zijn betaald, duidt evenmin op een material breach, nu dit naar alle waarschijnlijkheid het gevolg is van het feit dat [handelsnaam 1] pas op 14 oktober 2024 de betaalgegevens van zijn cryptowallet heeft doorgegeven. Verder kan niet worden uitgesloten dat – zoals [gedaagde] heeft aangevoerd – de re-branding periode langer heeft geduurd dan voorzien door toedoen en/of nalaten van [handelsnaam 1] . Uit WhatsAppberichten van de manager van [handelsnaam 1] volgt dat het door [handelsnaam 1] ingeschakelde marketingbureau, tot frustratie van [handelsnaam 1] , steeds voor vertragingen zorgde. [gedaagde] heeft (aan de hand van in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie) aannemelijk gemaakt dat de re-branding pas in de tweede helft van oktober 2025 volledig kon worden afgerond. Bij e-mail van 26 oktober 2025 heeft [gedaagde] [handelsnaam 1] verzocht om voor de maand november 2025 een factuur voor de license fee van USD 35.000 te sturen. Een verplichting om tijdens de gehele re-branding periode (dus tot en met oktober 2025) de gehele license fee door te betalen (welk standpunt [handelsnaam 1] overigens pas innam in de brief van 29 januari 2026, zie 2.9) kan niet worden aangenomen gezien de (voorshands) andersluidende via WhatsApp gemaakte afspraken Op grond van dit alles kan de beweerde ‘wanbetaling’ door [gedaagde] voorshands niet als een material breach worden aangemerkt.
4.5. De verkopen door [gedaagde] in Mexico kunnen voorshands evenmin als een material breach worden aangemerkt omdat uit de in het geding gebrachte WhatsAppcorrespondentie kan worden afgeleid dat de manager van [handelsnaam 1] hiermee heeft ingestemd. Pas veel later is [handelsnaam 1] hier een probleem van gaan maken.

4.6.

Daarnaast kan [gedaagde] voorshands gevolgd worden in haar standpunt dat de notice bedoeld in artikel 5.2 van de overeenkomst een duidelijke schriftelijke aanmaning moet betreffen om een specifieke verbintenis binnen 30 dagen na te komen. Gezien het verweer van [gedaagde] is het nog maar de vraag of de brief van 29 oktober 2025 (zie 2.5) of latere door of namens [handelsnaam 1] verzonden brieven voldoen aan deze definitie van notice, met name omdat [gedaagde] niet in de gelegenheid is gesteld alsnog binnen 30 dagen haar verplichtingen na te komen. Dit heeft mede betrekking op de overige door [handelsnaam 1] gestelde tekortkomingen, zoals het niet delen in de winst, het niet betalen van de verkoopprovisie en het niet doen van een financiële opgave ter berekening van het winstaandeel. Overigens wist [handelsnaam 1] – aldus [gedaagde] – heel goed dat [gedaagde] verlieslatend was en amper, behalve in Mexico, [handelsnaam 1] -producten heeft verkocht.

4.7.